Meer uren werken betekent niet automatisch dat een werknemer de eigen functie volledig heeft hervat. Kijk daarom tijdens de re-integratie niet alleen naar de urenopbouw, maar ook naar de inhoud van de werkzaamheden.
Sanne is docent in het voortgezet onderwijs en is langdurig arbeidsongeschikt. Voor haar ziekmelding werkte zij 32 uur per week. Inmiddels werkt zij weer voor 20 uur.
Haar takenpakket is aangepast. Ze begeleidt leerlingen, ontwikkelt lesmateriaal en ondersteunt collega’s. Zelfstandig volledige lessen verzorgen lukt nog niet. Een deel van haar oorspronkelijke taken en verantwoordelijkheden wordt door collega’s overgenomen.
De re-integratie richt zich vooral op uitbreiding van haar uren. Maar is dat voldoende om de voortgang goed te beoordelen?
Sanne werkt dus weer 62,5% van haar oorspronkelijke arbeidsduur. Maar dat betekent niet dat zij ook 62,5% van haar oorspronkelijke werkzaamheden uitvoert of voor 62,5% is hersteld.
Bij re-integratie is het belangrijk om twee ontwikkelingen te volgen:
De belastbaarheid van de werknemer en het advies van de bedrijfsarts zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Binnen die mogelijkheden onderzoekt de werkgever samen met de werknemer hoe de werkhervatting verder kan worden opgebouwd.
Voor Sanne kan de volgende stap meer uren zijn. Maar ze kan ook binnen dezelfde 20 uur geleidelijk meer van haar oorspronkelijke taken hervatten. Vooruitgang in de re-integratie betekent dus niet altijd méér uren.
Leg vast welke werkzaamheden de werknemer zelfstandig uitvoert, welke taken zijn aangepast, welke ondersteuning nodig is en welke werkzaamheden nog door collega’s worden overgenomen.
Blijkt terugkeer in de eigen functie niet mogelijk? Onderzoek dan ook andere passende arbeid.
Bij re-integratie in het voortgezet onderwijs is het belangrijk onderscheid te maken tussen de bezoldiging waarop een werknemer recht heeft volgens de ZAVO en de waarde van de feitelijk verrichte arbeid.
De ZAVO maakt onderscheid tussen werkzaamheden op therapeutische basis en wenselijk geachte arbeid. Wenselijk geachte arbeid kan bestaan uit oorspronkelijke werkzaamheden, maar ook uit aangepast werk. Dat onderscheid is van belang voor de bezoldiging tijdens ziekte.
Bij wenselijk geachte arbeid geldt in het tweede ziektejaar in beginsel de bezoldiging per uur van de eigen functie over de uren waarin deze arbeid wordt verricht. Over de resterende ziekteverlofuren geldt in beginsel 70% van de bezoldiging. Voor werkzaamheden op therapeutische basis gelden specifieke voorwaarden, waaronder een vooraf bepaalde periode van maximaal zes weken. Niet iedere vorm van aangepast werk is dus automatisch werk op therapeutische basis.
Aangezien Sanne niet op therapeutische basis werkt, kan ze daardoor haar gebruikelijke bezoldiging per gewerkt uur ontvangen, terwijl zij nog niet alle werkzaamheden van haar oorspronkelijke functie uitvoert.
De hoogte van de bezoldiging zegt daarmee dus niet zonder meer iets over welke onderdelen van de oorspronkelijke functie iemand weer uitvoert. Dat is op zichzelf geen reden om haar salaris ter discussie te stellen: de aanspraak op bezoldiging volgt uit de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Na 104 weken ziekte kan UWV voor de WIA-beoordeling bij een werknemer die werkt, uitgaan van het werk dat deze daadwerkelijk doet en wat daarmee wordt verdiend. Dit heet praktisch beoordelen. UWV kijkt daarbij ook of het werk past bij wat de werknemer ondanks de gezondheidsklachten kan.
Praktisch beoordelen is mogelijk als onder andere:
Voor toepassing van deze maatregel geldt bovendien dat de werknemer met het werk ten minste 20% van het oude loon verdient. UWV bepaalt na de WIA-aanvraag of praktisch beoordelen kan worden toegepast. Werkgever en werknemer hoeven dit niet afzonderlijk aan te vragen
Bij Sanne is daarom niet alleen haar bezoldiging van belang. UWV onderzoekt ook welk werk zij feitelijk doet en of dat werk en het inkomen bij elkaar passen.
Bij structureel aangepast werk kan een loonwaardeonderzoek helpen om inzicht te krijgen in de verhouding tussen de feitelijke arbeidsprestatie en de werkzaamheden die bij de functie horen. Bijvoorbeeld als een werknemer:
Een loonwaardeonderzoek is niet standaard noodzakelijk bij iedere re-integratie of WIA-aanvraag en is geen algemene voorwaarde voor praktisch beoordelen.
Bepaal daarom eerst waarvoor je het onderzoek wilt gebruiken: voor verdere re-integratie, voor de inrichting van structureel aangepast werk of om de feitelijke arbeidsprestatie inzichtelijk te maken. Dat doel bepaalt welke deskundige ondersteuning passend is.
Voor werkgevers en werknemers is het verstandig om tijdens de re-integratie periodiek stil te staan bij drie vragen:
Leg de afspraken en de voortgang vast in het plan van aanpak en het re-integratiedossier. Beschrijf de feitelijke werkzaamheden, de mate van zelfstandigheid, de ondersteuning die nodig is en de taken die door anderen worden overgenomen. Bespreek regelmatig of de gemaakte afspraken nog aansluiten bij de mogelijkheden van de werknemer en stel het plan zo nodig bij.
Kijk bij re-integratie niet alleen naar hoeveel iemand werkt, maar ook naar wat iemand binnen die uren kan doen. Uren en taken geven ieder andere informatie over de voortgang van de re-integratie.